Historiek en evolutie

Net als in vele andere steden is de configuratie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest de afgelopen eeuw heel sterk geëvolueerd. De sociale en territoriale breuklijnen binnen ons stadsgewest zijn voornamelijk ontstaan door de teloorgang van de industrie vanaf de jaren ‘60. Als gevolg daarvan ontstonden er kwetsbare wijken.


Uittocht en achteruitgang

 

Vanaf de 19de eeuw trekt de burgerij uit de Brusselse binnenstad weg naar de buitenwijken. Daarnaast kampt de stad met een industrieel verval, dat eind jaren ’60 nog een versnelling hoger schakelt. Dit dubbele fenomeen leidt tot een verarming van volledige wijken, voornamelijk op het grondgebied van de Stad Brussel en van gemeenten als Anderlecht, Sint-Jans-Molenbeek, Sint-Gillis, Sint-Joost-ten-Node en Schaarbeek.
Het aantal lege opslagplaatsen, braaklanden en krotwoningen neemt steeds toe. De waarde van het vastgoed neemt een steile duik en de wijken worden vaak getto’s van kansarme bevolkingsgroepen.

 

« Verbrusseling »

 

Vanaf de jaren ’70 zien we wat men later de ‘”verbrusseling” van bepaalde wijken zal noemen. Die bestaat uit “bulldozeroperaties” en uit de bouw van hoge kantoorgebouwen, voornamelijk in het centrum van de stad. De eerste inspanningen van de Brusselse overheid om het verval van de kwetsbare wijken tegen te gaan, kennen in elk geval een zeer voorzichtige start. Ze omvatten voornamelijk renovatiewerken met het oog op het herstellen van bestaande maar beschadigde gebouwen. Eind jaren ’80 blijken de middelen die worden uitgetrokken voor dit “beleid van renovatie van huizenblokken en vrijstaande gebouwen” echter onvoldoende.

 

De eerste doelstellingen van de herwaardering van de wijken

 

Kort nadat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest een autonoom gewest geworden is (1989) legt het voor zichzelf nieuwe doelstellingen vast. Het beleid inzake de wederopleving van de wijken wordt uitgestippeld volgens drie principes: de bouw of renovatie van huizen, de herwaardering van openbare ruimten, met inbegrip van de binnenruimten van huizenblokken, en acties gericht op de sociale cohesie. In 1993 roept een eerste ordonnantie een transversaal renovatiemechanisme in het leven. Dit was voor zijn tijd bepaald vernieuwend en werd “wijkcontracten” gedoopt. Het was het startschot voor dertien reeksen van deze wijkcontracten, goed voor niet minder dan 56 programma’s die tot 2009 uitgewerkt werden. De laatste drie reeksen van deze fase lopen nog steeds.

 

De in 2010 gelanceerde Duurzame Wijkcontracten

 

Sinds 2010 heeft de nieuwe ordonnantie van de Brusselse regering dit uitgebreide programma van wijkcontracten omgevormd tot “Duurzame Wijkcontracten”. De nieuwe specificiteit daarvan is bijzondere aandacht te besteden aan de milieudimensie, die transversaal wordt, en aan de centrale plaats van het leefmilieu in de gevoerde operaties en acties.
Dit nieuwe beleid plaatst het behoud en de verbetering van het milieu voortaan centraal in alle acties ter versterking van de wijken.
Bovendien versterkt men met de Duurzame Wijkcontracten de deelname van de burgers. Zij worden uitgenodigd om hun mening te geven over de totstandkoming en de follow-up van de operaties. Door te werken met de inwoners, het potentieel van de wijken optimaal te benutten, nieuwe woonprojecten en projecten van voorzieningen uit te voeren en gezamenlijke collectieve activiteiten te organiseren, verandert de hele Brusselse stad in een echte puzzel van sociale en duurzame initiatieven.